Myopie of Bijziendheid

Myopie wordt ook bijziendheid genoemd, omdat myopen dichtbij scherper kunnen zien dan veraf. Wie bijziend is, kan in de verte niet meer optimaal scherp zien.
De gezichtsscherpte wordt uitgedrukt in een decimaal getal. Iemand die goed ziet heeft 1,0 of 10/10 gezichtsscherpte. Iemand die bijziend begint te worden, heeft een minder scherp zicht, b.v. 0,7 of 7/10. In mensentaal wil dit zeggen dat je dan tot op 7 meter moet naderen om te kunnen zien wat iemand met een gezichtsscherpte van 10/10 al op 10 meter afstand kan zien.

Het woord ‘myopie’ komt uit het Grieks en betekent eigenlijk ‘lang oog’. De optische verklaring voor bijziendheid is dat de invallende lichtstralen al voor het netvlies een brandpunt vormen waardoor er op het netvlies zelf een wazig beeld ontstaat. De oorzaken hiervoor kunnen verschillend zijn: het oog kan te lang zijn of de brekingskracht in het oog te hoog.

De optische oplossing voor bijziendheid bestaat erin om voor het oog een brilglas of contactlens te plaatsen die het licht divergeert (verstrooit, verspreidt), zodat het brandpunt van het invallend licht weer precies op het netvlies terechtkomt. Optische glazen die het licht divergeren noemt men ‘min’-glazen. Een bijziende draagt dus een ‘min’ bril. Zo’n ‘min’-bril wordt met een getal aangeduid, bijvoorbeeld – 2.50. Dat wil zeggen dat er een glas van –2.50 dioptrie (= eenheid voor optische brekingskracht) voor het oog geplaatst moet worden om terug scherp te kunnen zien.

De sterkte van de brilglazen geeft niet de gezichtsscherpte weer, maar wel de brekingskracht van de lens die voor de ogen geplaatst werd om het beeld terug scherp te stellen. De gezichtsscherpte is immers niet alleen afhankelijk van de graad van de bijziendheid, maar ook van de waarnemingsvaardigheid.

Men onderscheidt drie soorten myopie:
Studies tonen aan dat bijziendheid in veel hogere mate voorkomt in culturen waar veel gelezen wordt en waar nabijwerk (computer, leren,…) een belangrijke plaats inneemt. Zo werd in een interessant onderzoek bij Eskimo’s vastgesteld dat bij de jongste generatie bijziendheid in veel hogere mate voorkomt (60%) dan bij de grootouders (2%), een generatie die nog niet had leren lezen. Ook werd aangetoond dat chimpansees, die van nature verziend zijn, op korte tijd sterk bijziendheid kunnen worden wanneer je ze opsluit in kooien waar ze niet naar buiten kunnen kijken. Er is meer en meer evidentie dat de manier waarop de ogen gebruikt worden minstens even belangrijk is als de erfelijke aanleg.

Meer dan 20 % van onze westerse bevolking wordt bijziend van het type functionele of verworven myopie. Naast een mogelijke erfelijke aanleg voor dit probleem spelen dus ook omgevingsfactoren een belangrijke rol bij het ontstaan en ontwikkelen van bijziendheid.

Vooral de nabijstress-theorie wint meer en meer aan belang. Deze theorie gaat er van uit dat visuele stress die veroorzaakt wordt door (ondermeer) aanhoudend nabij kijken een ontregeling veroorzaakt in het evenwicht van het autonome zenuwstelsel (sympaticus). Door dit onevenwicht blijft er een constante druk bestaan op het visuele systeem, dat zich geleidelijk aanpast aan de taak door zich te specialiseren in nabij kijken.

Eenvoudig gesteld gaat het scherpstellingsysteem dat vaak aanhoudend gebruikt wordt ‘verkrampen’ en gaat het oog langer worden om de kramp tegen te gaan. Het ‘scherm’ (netvlies) wordt achteruit geschoven om zo de ooglens te ontlasten. In het beginstadium van bijziendheid komen geregeld momenten van wazig zicht in de verte voor, maar dit lijkt zich na een poosje weer te herstellen (scherpstellingstraagheid). Op de duur blijft het zicht wazig en is het oog effectief langer geworden. Men zegt dat de myopie ‘structureert’. Het visuele systeem heeft zich aangepast aan de taak. Wanneer in de verte niet scherp meer kan worden gezien, gaat men meestal een bril dragen die het beeld op het netvlies weer scherpstelt.

De bijziendheid wordt ‘gecompenseerd’, wat wil zeggen dat ze het ongemak dat de bijziendheid met zich meebrengt, opheft. We zien weer scherp in de verte, op het schoolbord, achter het stuur. Maar het bijziendheidmechanisme komt zo in een vicieuze cirkel terecht: ze gaat opnieuw toenemen door de aanhoudende druk op het visuele systeem tot er zich weer een aanpassing voor nabij voordoet. En zo gaat het proces van bijziender worden meestal nog jaren door, met steeds sterker wordende brillenglazen.

Om die reden zal de functioneel optometrist een bril aanmeten die zo veel mogelijk comfort oplevert, maar ook verhelpt in deze vicieuze cirkel terecht te komen. Hij zorgt ervoor dat de bijziende brildrager ook zelf nog ‘actief’ blijft meewerken aan de conditie van het visuele systeem.

Vroeger was bijziendheid vooral een probleem van de schoolgaande jeugd. De bijziendheid stabiliseerde meestal voor de leeftijd van 18 jaar. Vandaag stellen we vast dat de wijziging in gedragspatronen - vooral het meer gebruiken van computers en de toename van nabijstress in bepaalde werksituaties – als gevolg heeft dat bijziendheid vaak blijft toenemen tot in de twintiger jaren en zelfs wanneer je nog ouder bent.

Het wordt alsmaar duidelijker dat overmatig lezen, veel computerwerk, veel binnenzitten, weinig beweging, cerebrale gedragspatronen en ook bepaalde voedingsgewoonten een druk op de bijziendheidontwikkeling kan veroorzaken. Het is dus van groot belang om de bijzienden visuele hygiënemaatregelen aan te leren die de bijziendheidstendens tegengaan. Het gaat hier dan in hoofdzaak om adviezen met betrekking werkhouding en –omgeving: goed rechtop zitten, voldoende licht gebruiken, regelmatig opkijken, voldoende pauzes aan de computer, voldoende beweging, gezondere voeding, enz..

Op vlak van de bril wordt aangeraden om in de beginfase van de bijziendheidontwikkeling de bril enkel te gebruiken wanneer het niet anders kan, dus voor verkijken en deze af te zetten bij het nabij kijken. Ook is het belangrijk de brillenglazen niet te snel te versterken.

In bepaalde gevallen kunnen dubbelzichtglazen helpen om de scherpstelling te ontspannen en soms zijn harde contactlenzen aangewezen om de bijziendheid te helpen stabiliseren.

In een grondig functioneel optometrisch onderzoek kan bepaald worden in welk stadium de bijziendheid zich bevindt en of de bijziendheidsontwikkeling kan worden tegengegaan met oefeningen, speciale brillen of contactlenzen.

Optometrische visuele training kan bij functionele bijziendheid zeker helpen om de bijziendsheidevolutie te remmen en betere visuele gewoonten te ontwikkelen. Door training kan het visuele systeem zijn balans herwinnen en kan de vicieuze cirkel vaak doorbroken worden. Visuele training omvat zowel visueeltechnische- als visuele waarnemingsaspecten. Er wordt gewerkt aan scherpstellingsontspanning, evenwicht in de oogsamenwerking, soepele oogmotoriek, gezichtsveldstimulatie, waarnemingssnelheid.

In de praktijk werd ten overvloede aangetoond dat visuele training de evolutie van bijziendheid kan tegengaan. De uiteindelijke bijziendheidsgraad kan hierdoor beperkt worden en dikwijls kan brilgebruik vermeden of verminderd worden. Visuele training vraagt een regelmatige inspanning. Dit is niet voor iedereen even gemakkelijk. Daarom voorziet Centrum Beter Zien, naast individuele trainingsessies, ook in regelmatige opvolglessen – individueel of in groep - om de motivatie te bewaren en de oefeningen regelmatig aan te passen aan de leeftijd en fase waarin de bijziendheid zich bevindt.

Zie ook adviezen voor een goede visuele hygiëne bij bijzienden.